|
Opeens voel ik een stekende pijn. Op mijn borst. “Mijn hart”, schiet het door me heen. Ik ga voorzichtig even op de bank liggen. Dit voelt niet goed. Zwetend bel ik de huisarts. En dan gaat het allemaal heel snel. Huisarts, ziekenhuis, cardioloog, intensive care, monitor. Nog geen twee uur na die eerste alarmerende pijn, staat de cardioloog met een berg papieren naast mijn bed. Wat heb ik, wat mankeer ik, hoe erg is het… De arts legt alles uit. Heel geduldig. Meer dan de helft gaat langs me heen. En dan. “We hebben alles bekeken. Het is geen hartinfarct. Maar wat het wel is…? Dat weten we niet. We houden u voorlopig hier, want er is wel iets…”
Net voor de afrit hoor ik het geluid weer. Het is een raar soort tik. In de motor van mijn auto. Een tik die ik niet eerder heb gehoord. Dat komt wel heel slecht uit. Komende zaterdag ga ik op vakantie. Met de auto. Naar Italië. En om nu met zo’n tik honderden kilometers te gaan rijden… Eerst maar even langs de garage. Motor starten. Luisteren. Kijken. “Ik hoor niks”, zegt de monteur. Ik stel voor dat hij er even een stukje mee gaat rijden. Nog geen tien minuten later is hij alweer terug. Hij rijdt mijn auto op de brug. Ik vertel ondertussen mijn Italië-plannen. “Ik heb geen idee wat er mis is”, zegt de monteur, “maar Italië… dat zou ik niet doen, want er is wel iets…” Het had een prachtige dag moeten worden. Volgens de planning. En die klopte perfect. Daar lag het niet aan. Maar op één of andere manier was het gewoon niet zoals ik had gehoopt. Ze was de hele dag opvallend stil geweest. O, ze reageerde best enthousiast op alle verrassingen die ik bedacht had. Maar toch. Ik had tot slot een romantisch dineetje voor twee geregeld. Als afsluiting. Van die mooie dag. En dan zou ik het vragen… Maar mijn gevoel. Ik had in de loop van de dag al een paar keer gevraagd of er iets was. Nee, dus. Tussen het nagerecht en de koffie waag ik het nog een keer. “Ja”, zegt ze met tranen in haar ogen, “je hebt gelijk…er is wel iets…” Een stuk of drie steken hun hand op. Ik heb net gevraagd wie van de groep in God gelooft. Drie. Dat is niet veel. Als ik vervolgens vraag wie van hen gelooft dat God niet bestaat, gaan er zeven handen de lucht in. Dat betekent dat de overgrote meerderheid nog niet heeft gereageerd. Dat verbaast me. Ik vraag het aan één van hen. Hij kijkt me aan en zegt: “Ik geloof niet dat God bestaat, maar ik geloof wel dat er iets is…” Instemmend gemompel geeft aan dat hij zeker niet de enige is. Ik vraag nog even verder. Wat dat ‘iets’ dan zou moeten zijn. “Nou gewoon”, zegt een meisje, “ik geloof niet dat God bestaat. Ik denk er eigenlijk ook nooit over na. Maar ik geloof wel dat er iets is…” Ik blijf het gek vinden. Niemand neemt genoegen met “… er is wel iets”. We blijven zoeken tot we weten wat dat “iets” is. Ik blijf het gek vinden. Juist als het gaat om alles of niets, nemen we wel genoegen met ‘iets’.We zoeken niet verder en laten het bij dat “iets”. Ik blijf het gek vinden. Zeker nu ik, na intensief zoeken, ontdekt heb dat er niet ‘iets’ is, maar Iemand.
|