Zucht... Het is zaterdagmiddag, mooi weer en ik heb weer eens niks te doen. Ik zet de tv uit en loop de straat op, in de hoop dat daar wat boeiends te beleven valt. Er huppelen wat meisjes voorbij over de stoep en verderop staan wat gozertjes te voetballen. Te jong. In het parkje zit een oud echtpaar te staren over een meertje. Te oud. Ik vraag me af wat jongeren van mijn leeftijd eigenlijk doen op dit tijdstip. Op dat moment zie ik een jongen op de stoep staan. Hij heeft een blikje cola in zijn hand en staart wat om zich heen. Ik schat dat hij ongeveer even oud als ik moet zijn. Ik loop naar hem toe en begin een gesprek. "Hé, ook niks te doen op deze mooie dag?" Hij kijkt me aan en zegt: "Nou, eigenlijk wel. Ik ben aan het verhuizen. Best zwaar werk op zo'n warme dag." O ja, das waar ook! Vandaag kwamen er nieuwe bewoners in onze straat. Zonder erbij na te denken vraag ik: "Kan ik helpen?" De jongen kijkt me dankbaar aan en stemt toe.
Ik ben blij dat ik toen op hem af ben gestapt, want dit bleek het begin van een goede vriendschap. We hebben die middag goed kennis kunnen maken met elkaar en later hebben we elke zaterdagmiddag wel wat samen gedaan. Ik kan nu heel goed met hem praten, wat we ook samen doen. Toen we een keer naar het dorp fietsten om wat drinken in te slaan, zei hij dat hij wilde gaan solliciteren. Hij had een advertentie gelezen waar hij wel interesse in had, dus had hij gebeld en een afspraak gemaakt. "Zou jij misschien met mij mee kunnen fietsen, want ik weet de weg nog niet echt hier", vroeg hij me. "Ja, natuurlijk!" zei ik. Ik had de tijd dus, het leek me vanzelfsprekend dat ik dat zou doen.
Die dag ging álles verkeerd. Echt alles! Ik moest 's morgens eerst nog werken, dus mijn wekker ging veel te vroeg naar mijn zin. Gewoonlijk ga ik met de auto, maar vervelend genoeg startte deze niet. Doordat ik gedwongen was de fiets te pakken, kwam ik te laat op mijn werk. Toen ik probeerde mijn goede humeur weer op te pakken, begon mijn baas te dreigen me te ontslaan als dit nog eens voor zou komen. Flink chagrijnig kwam ik dus uit mijn werk die dag. Ik stapte zoals gewoonlijk onder de douche. Veel langer dan anders bleef ik hieronder staan. Toen ik eronder vandaan kwam was mijn humeur nog steeds niet op het gebruikelijke niveau en ik schopte een berg kleren aan de kant die op de grond slingerde.
Opeens schoot het me weer te binnen: onze afspraak! Ik zuchtte diep, dit was nou echt iets wat ik niet nodig had op dit moment. Zou hij er al staan? Ik keek uit mijn raam en ja hoor, daar kwam hij aangefietst. Hij stopte voor ons huis en leunde tegen de lantaarnpaal. Zal ik gaan zeggen dat ik ziek ben? Of dat ik op mijn zusje moet passen? Nee, ik kom gewoon niet opdagen en dan zeg ik dat ik van mijn baas langer moest werken. Ik zag hem op zijn horloge kijken. Wie denkt hij eigenlijk dat hij is? Een beetje van mij verwachten dat ik na mijn zware ochtend werken nog met hem mee ga, dat hele eind fietsen! En ik heb er zelf helemaal niks aan! Doe normaal, ik ga echt niet met hem mee! Ik schopte de kleren weer terug naar waar ze eerst lagen. Toen ik me weer naar het raam draaide zag ik hem teleurgesteld wegfietsen. Ha, net goed! Gaat hij maar lekker alleen dat eind fietsen! Ik liet me in mijn frustratie op mijn bed vallen en ik merkte dat ik echt moe was van deze morgen. Ik viel meteen in slaap.
Het wakker worden was net als een kater. Ik ging rechtop zitten en vroeg me af wat er allemaal gebeurd was. Langzaam drong het tot me door wat ik had gedaan. Ik had hem laten zitten! Hoe heb ik dat ooit kunnen doen? Mijn hoofd voelde zwaar aan en ik liet hem in mijn handen vallen. Hoe stom kon ik zijn? Mijn beste vriend laten zitten terwijl hij me nodig had?! Onze hele vriendschap weggooien omdat ik zo nodig chagrijnig moest zijn! Ik voelde me leeg. De hele week hield ik dit gevoel. Ik baalde van mezelf.
Zaterdag na mijn werk stapte ik weer onder de douche en weer bleef ik er lang onder staan. Ik had verder toch niets te doen. Ik was weer terug bij af. Geen vriend om mee te praten. Net toen ik onder de douche vandaan stapte ging de deurbel. Ik wist dat er verder niemand thuis was, dus ik rende naar beneden. Toen ik de deur open deed schrok ik. Daar stond hij. Ik kan me niet herinneren dat ik me eerder zo rot heb gevoeld. Wat kwam hij doen? Wat moest ik zeggen? "Ben je… hebben ze je…" verder kwam ik niet. "Ik ben niet aangenomen", zei hij. "Ik kon het niet vinden en kwam een uur te laat." Hij was ontzettend teleurgesteld, ik had hem zo nog nooit eerder zien kijken. Wat voelde ik me rot. Vreselijk. Starend naar mijn voeten zei ik: "Ik weet niet hoe ik het moet zeggen…maar… het spijt me echt ontzettend…" ik wilde het gezegd hebben, ook al had het nu geen zin meer. Een stilte volgde, dus mijn ogen gleden naar boven. Op dat moment gebeurde er iets heel raars. Hij zei: "Het geeft niet." Ik heb de hele week over dit moment nagedacht, maar hier had ik me niet op voorbereid. Heel even dacht ik dat hij het niet meende, maar toen ik in zijn ogen keek zag ik de waarheid. Hij had het al achter zich gelaten, het maakte hem echt niet meer uit. Ik wilde praten, maar ik was te verbluft. Hij zei: "Als je zin hebt, kun je vanmiddag bij mij thuis komen." Hij draaide zich om en liep naar zijn huis. Ik volgde hem.
Wat een geweldige vriend. Zo'n vriend zou iedereen wel willen toch? Zou jij zo'n vriend willen hebben? Dat kan! Deze vriend heeft namelijk een naam, zijn naam is Jezus. Op dit moment belt hij zelfs aan bij jou. Het enige wat je hoeft te doen is de deur openen…