|
Geschreven door Arie
|
|
Een zware week achter de rug. Je kent dat wel. Afspraken nakomen. Tussendoor diverse dingen afhandelen. Zo’n week waar geen eind aan lijkt te komen. Eindelijk werd het vrijdagmiddag. Om een uur of vier leg ik na het laatste gesprek de telefoon neer. Doodmoe. Het zat er op. Het enige wat ik nu nog wilde, was niks meer aan mijn kop hebben. Weg van alles. Een lekker pilsje pakken. Als afsluiting van deze week. Na het werk bracht ik haar altijd eerst naar huis. Ik vroeg zoals vaker of zij mee ging. Mee naar de kroeg. Maar ze zei dat ze geen zin had. Ik zag dat ze loog. Toen ik een beetje aandrong, bleek ik gelijk te hebben: zij had wel degelijk zin. Maar ze kon niet. Dat zei ze tenminste. Hoe vaak heb ik haar dat nou al horen zeggen: ‘Ik kan vanavond niet.’ ‘Op zaterdagmorgen? Nee, dan heb ik al wat anders.’ ‘Nee, een nachtje doorzakken, dat gaat echt niet lukken.’ Eerst had ik er niet zoveel aandacht aan geschonken. Maar het ging me steeds meer opvallen. Ook een beetje irriteren. Ook nu. Dat niet meedoen. Niet meegaan. Het leek me een goed moment om dat maar eens te zeggen. Dat het me opviel. Dat ze steeds niet mee deed. Dat ze steeds met een nieuwe smoes kwam. Ze zei niet veel. Eigenlijk niks. Ik begon haar verwijten te maken. Dat zij er zo buiten kwam te staan. Buiten de wereld. Zonder vrienden. Op deze manier zou zij al haar vrienden kwijtraken. Het enige wat zij liet horen: ‘Loop je straks even mee naar binnen?’ Toen ik bij haar binnenkwam, zag ik hem zitten. In een rolstoel. Meervoudig gehandicapt. ‘Tot morgen…’, hoorde ik de fysiotherapeut nog net zeggen. Ik zag hem zitten. Hoorde hem blij zijn. Hij kon vrijwel niets. Maar toen ik de glinstering in zijn ogen zag, toen begreep ik wat zij voor hem betekende. Hij leefde er van op. Opeens besefte ik waarom ze nooit meedeed. Zij kon inderdaad niet. Zij kon niet gemist worden. ‘Jôh, is dat niet vreselijk zwaar…’, stotterde ik. ‘Zwaar?’, zei ze verbaasd, ‘Zwaar? Dat is niet zwaar, dat is mijn vriend…’ Johannes 13 vers 8 & 15
|