Hij haalde diep adem. De vrieslucht beet in zijn longen.
Boven de stad, waar door de lichtvervuiling de sterren vaak nauwelijks te zien waren, was de hemel bezaaid met diamanten.
'Gods schatkist' noemde zijn vader dat vroeger.
Hij probeerde de rits van zijn jekker omhoog te halen, maar bedacht zich na de tweede, mislukte poging. De kou deed hem goed, hielp de 'biernevel' uit zijn hoofd te verjagen. De lucht in het studentencafé was te snijden geweest en de temperatuur zoals gebruikelijk te hoog. En hij had te veel gedronken, dat ook.
Het was de gedacht aan zijn vader, die hem deed denken aan het gesprek dat hij net had meegekregen.
Ze zaten aan het tafeltje achter hem, drie meiden, en ze hadden het over God.
Het geleuter van zijn vrienden boeide hem niet. Voetbal. Van hem mochten ze die hele Champions League opdoeken. Het voetbalwereldje kwam hem voor als een slangenkuil vol opgeblazen ego's en overbetaalde kinderen. Het ergst van alles vond hij de 'dominees' die in de pauze voor grof geld bij Studio Sport neuzelden over hoe de teams hadden moeten spelen en die allemaal hun eigen exegese van de vrije trap in de twintigste minuut zalig verklaarden.
Na een kwartier had hij zelfs de schijn te luisteren laten varen. Hij had zijn stoel achteruit geschoven en zich geconcentreerd op het gesprek van de meisjes.
Het blonde meisje dat hij uit zijn ooghoek half kon zien, geloofde blijkbaar. Ze hield tenminste tegenover haar vriendinnen vol dat God bestaat.
"Hoe kun je dat nou zo zeker weten?"
"Omdat het moet."
"Hoezo, 'moet'?"
"Omdat jouw hele bestaan anders geen zin heeft."
"Mijn bestaan heeft zin zat!" giechelde de derde stem. "Michel komt vanavond."
Gelach en geproest en het klinken van glazen.
"Je weet best wat ik bedoel," zei het blonde meisje. "Als er geen Schepper bestaat, wat heeft het dan voor zin dat we bestaan?" Ze sprak snel, alsof ze de andere twee geen kans wilde geven haar in de rede te vallen. "En wat voor zin hebben de dingen waar we ons druk om maken? Wat is dan nog het verschil tussen jou en... en dit glas?"
"Doe niet zo belachelijk, laten we eerst maar bijvullen."
"Niks belachelijk," hield ze vol. "Geef nou eens antwoord. Als God niet bestaat, kan er niets bestaan. Dat gezeur van de evolutionisten die zomaar, floep, de ingrediënten voor een oerknal uit het niets te voorschijn toveren, dat gelooft toch geen kind. Evolutionisten zijn gelovigen die niet willen weten dat ze het zijn, en dat is heel wat bekrompener dat eerlijk toegeven dat je in iets gelooft.
En dat nog wat: hoe wil je normen en waarden verankeren als er niemand is die boven ons staat? Een norm zonder God is niets anders dan een ander woord voor de wil van de meerderheid. Saskia, jij hebt toch filosofie als bijvak?"
"Ja, en daarom weet ik dat God onzin is. God heeft wel honderd jassen: een Jezus-jekker, een Wodan-mantel, een Allah-colbert en een Jupiter-slipjas! God is een projectie, meer niet. En stel dat hij toch bestaat, dan is hij toch zielig of een grote sadist. Overstrominkje in India, tweeduizend doden: sorry jongens, ik kan er ook niets aan doen, of wie weet vond hij Treblinka wel een geslaagd experiment. Hij deed toch niets... Wat is dat nou voor God!
Bah! God is een excuus-Truus. Een verhaaltje van en voor zwakkelingen, opium voor het volk. Weet je, geef mij Nietzsche maar: niks God om achter weg te kruipen. Mens wees jezelf!"
Zo ging het nog vier biertjes door tot het derde, onzichtbare meisje zei: "Ik smeer hem, Michel komt om half twaalf aan."
De andere twee stonden ook op. Toen ze de deur uitliepen kon hij ze eindelijk alle drie zien: tweemaal blond en één keer doosjes-rood.
Bij het licht van een lantaarn zijn jas dichtritsend, het was toch wel verhipt koud, vroeg hij zich af: "Bestaat Hij, of bestaat Hij niet?"
Hij was met Hem opgevoed. Maar tegenwoordig wist hij niet zoveel meer zeker.
Hij moest plassen en daalde dankbaar de trap naar het ondergrondse openbaar toilet af.
Op de witte tegels boven de stinkende plasgoot las hij iets dat nogal toepasselijk was. Met zwarte viltstift had iemand geschreven: God is dood, Nietzsche.
Hij grinnikte.
Een week later.
Hij was opnieuw naar het café gekomen, stiekem hopende dat zij er ook weer zouden zitten. Maar nee, de hele avond was het alleen maar voetbal, computers en weer veel te veel bier.
Het miezerde. Het licht van de lantaarns sijpelde regelrecht de plassen in.
Plassen.
Hij moest weer.
Het openbaar toilet stonk nog erger dan de vorige keer.
De tekst trof hem als een zweepslag. Iemand had de moeite genomen de tekst uit te vegen en een nieuwe tekst te schrijven:
Nietzsche is dood, God.
Psalm 1:6
De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen, de weg van de wettelozen loopt dood.