De Cypriotische avond bracht eindelijk enige verkoeling. We zaten op de veranda van het gasthuis dat ik deelde met een ouder, Australisch zendingsechtpaar.
De lucht was vol van stadsgeluiden: scooters, claxons, het onverstaanbare roepen van mensen verderop, achter de huizen richting boulevard.
Ik sloeg naar een mug op mijn arm.
De oude man naast me lachte: “I told you how to deal with them, didn’t I?”
“Yes, you did, but they won’t stick to the script.”De oude zendeling lachte opnieuw.
Hij had me verteld hoe hij in zijn jonge jaren als zendeling onder de aboriginals, ook voor een universiteit – die van Melbourne, geloof ik – werkte. Of het uit hobbyisme was, of een broodnodige bijverdienste, of dat hij het gewoon deed uit bewogenheid met de bevolking, weet ik niet meer.
Hoe dan ook, hij moest muskieten vangen en opsturen, zodat ze in het laboratorium konden inventariseren welke soorten, en dus welke problemen, er in Arnhem Land rondvlogen. Hij vertelde me dat hij in de loop van de tijd zo zijn eigen manier had ontwikkeld om de insecten te vangen.
Als hij op jacht was, liet hij ze rustig op zijn arm neerstrijken tot ze hun steeksnuit goed en wel in zijn vel hadden begraven. Dan hield hij zijn adem in en voilà: de arme beestjes bleven aan zijn arm hangen of ze nu wilden of niet; gevangen in een vacuüm. Vervolgens plaatste hij een glazen zuigbuisje over het monstertje, liet zijn adem los en zoog het beestje de buis in.
Uiteraard paste hij dezelfde methode toe als hij er eentje wilde vermorzelen.
“U houdt me voor gek,” zei ik. Maar de oude zendeling hield bij hoog en bij laag vol dat het werkt. Het is mij nooit gelukt.
Maar die avond op de veranda vertelde hij met ook een verhaal dat voor mij wél heeft ‘gewerkt’. Wie weet, blijft het ook bij jou hangen.
Zeventien was ze. Sweet seventien, leeftijd om te ontdekken hoe mooi je bent. Tijd voor oorbellen, oogschaduw en lipstick. Leeftijd ook om krullen te willen als je steil haar hebt en steil haar als je onder de krullen zit. Leeftijd om je voor een neuspuistje te schamen en om een koortslip te verbergen.
Moet je wel een neus hebben natuurlijk, en lippen.
Die had Nyamuni niet. Als Aboriginal meisje uit Arnhem Land, had ze niet veel kans op behandeling op behandeling van de afschuwelijke ziekte die haar had getroffen.
Er zijn veel woorden voor: bouba, Breda’s disease, framboesia, yaws, gangosa, maar het maakt niet uit het je het noemt, het effect is altijd even verwoestend. Eerst bedekt de bacterie je huid met op frambozen lijkende zweren, - inderdaad, vandaar die naam – vervolgens rot je huid weg en zijn je botten aan de beurt. Niks aan te doen? Jawel: drie penicilline injecties, verspreid over drie dagen en weg is de bacterie! Maar je huid krijg je natuurlijk niet terug.
Toen Nyamuni tenslotte werd ingeent, was het te laat voor haar neus en lippen. De mensen waren vies van haar, framboesia stinkt een uur in de wind. Ze leefde teruggetrokken en droeg haar haar lang en vor haar gezicht, omdat niemand…
Dag lippenstift, dag nachtcrème, dag vriendjes…
Vijfentwintig jaar later ontmoette hij haar opnieuw.
“Hoe gaat het met je Nyamuni?”
Ze keek op van haar werk en schoof haar haar opzij om hem te laten kijken.
“Ik kreeg opnieuw een brok in mijn keel,” zei de zendeling. “De aangerichte schade was nog altijd adembenemend. Toch was er ook iets anders dan een kwarteeuw eerder. Destijds was haar gezicht vol angst en hopeloosheid. Nu – ik kan het niet anders zeggen – straalde het.
Ja, ondanks de godgeklaagde verminking, straalde dat gezicht me tegemoet. Haar ogen lééfden.”
“Nyamuni, wat is er met je gebeurd?” vroeg hij.
“Toen vertelde ze me met dat gebrekkige, door ziekte verwoeste spraakvermogen van haar, maar met die stralende ogen, dat ze Jezus als haar zaligmaker had aanvaard.”
De oude zendeling schudde zijn hoofd, als hij zich fysiek los moest maken van de herinnering en zei tegen me:
“Ik heb in heel mijn leven nooit weer een mooier gezicht gezien.”
Psalm 34 vers 6
Wie naar hem opzien, stralen van vreugde...