|
Geschreven door Arie
|
|
Ik zie haar nog staan. Bovenaan de trap. Zelf naar boven geklauterd. Met slaapzak en al. Trots achterom kijken. Ik sta zelf onderaan. Ik voel me trots. Het is tenslotte mijn dochter. Dochtertje. Ze is net twee. Prachtig. Ze roept me. Nog een keer kijk ik naar boven. ‘Spring maar’ zeg ik. Ik hou mijn armen wijd open. Zonder nadenken stort ze zich naar beneden. Ik schrik er een beetje van. Ik had het wel gezegd, maar het is net of ik er niet echt op gerekend had. Dat ze het ook zou doen. Lachend staan we beneden aan de trap. In elkaars armen. Het was een vermoeiend dagje. Dat merk ik als ik thuiskom. Daar is het vrij druk. Je kent dat wel. Iedereen wil laten merken dat hij of zij er is. Na de gebruikelijke toiletstop loop ik naar de hal. Ik ga even naar boven. Even rust. Ik loop naar de trap. Ik kijk naar boven. Daar staat ze. Bovenaan. Het is een jaar of acht later. De herinnering. Ik zie ze alsof ze twee is. Zonder na te denken roep ik naar boven: ‘Spring maar’. Ze kijkt me aan. Loopt naar beneden. Tot een tree of vier. Dan springt ze in mijn armen. ‘Hoi, pa’.  Ze is ondertussen zestien. Ik ben allang niet meer de belangrijkste in haar leven. Zo hoort het ook. Voor haar. Maar ook voor mij. Gelukkig zijn er nog van die momenten. Dat we net doen of we allebei nog jong zijn. Heel jong. Maar we zijn het niet meer. Dat blijkt. Als ik haar boven aan de trap zie staan. Prachtig mens. Opeens zie ik haar weer als twee. Voor ik er erg in heb zeg ik: ‘Spring maar’. Ze kijkt naar beneden en lacht. Naar beneden lopend legt ze het uit. Ik ben best lief, maar dat springen ziet ze echt niet zitten. Ze is geen kind meer. Hoe ouder, hoe wijzer. Dat klopt. Ouder en wijzer. Maar wijzer in wat? Hoe ouder, hoe minder. Misschien klopt dat nog wel beter. Kijk maar uit. Straks ben je te wijs om te vertrouwen. 2 Samuël 22 vers 31a Gods weg is volmaakt, het woord van de HEER is zuiver
|