Je kent ze waarschijnlijk wel, die mensen die het altijd koud hebben. Ze verschijnen altijd dik ingepakt in drie lagen kleren, met sjaals en extra dikke sokken op school of op hun werk. Handenwrijvend proberen ze zichzelf op te warmen en gaan zo dicht mogelijk bij de verwarming zitten. Ze mopperen dat ze ’s ochtends altijd moeten krabben en dat het zo glad is op de weg. Ze kunnen niet wachten totdat het zomer is en ze weer heerlijk zichzelf kunnen opwarmen aan de stralende zon.
Je hebt natuurlijk aan de andere kant ook de mensen die het altijd warm hebben. Dat zijn de mensen die heel het jaar door in hun T-shirtje lopen en het dan ook nooit koud schijnen te hebben. De ramen moeten altijd open, ook al vriest het 5 graden en schijnen de winter het mooiste jaargetijde van het jaar te vinden.
Als je nu eens even van je computer wegloopt en voor het raam gaat staan en kijk dan eens naar de lucht. Misschien is het wel helemaal grijs en koud buiten. Of zie je een stralende blauwe lucht en het zonnetje schijnt. Als je geluk hebt zie je een dikke laag sneeuw liggen en de rijp op de bomen.
Misschien vind je dit koude weer helemaal geweldig, vind je het leuk om buiten te zijn wanneer het sneeuwt en kan je niet wachten totdat je je schaatsen weer van de zolder af kan halen.
Of blijf je toch liever binnen, lekker onder een warme plaid op de bank met een beker warme chocolademelk en een leuke film? En zit je veel liever in het zonnige zuiden met je voetjes in het water?
Waarom nu dit verhaal? Het heeft inderdaad met deze tijd van het jaar te maken. Maar je kan er ook een soort vergelijking of link naar het geloof mee maken.
Stel nu dat jij degene bent die het altijd koud heeft. Je staat midden op de straat in de sneeuw zonder warme winterjas en je staat verschrikkelijk te rillen. Dan komt er iemand voorbij die jou een warme winterjas aanreikt, een hele dikke winterjas met een grote bontkraag. Dan zou je toch wel verschrikkelijk stom zijn om die dikke jas af te slaan?!
Of voor degene die het altijd warm hebben. Als je nu midden in de woestijn staat en je hebt verschrikkelijke dorst en heel erg heet. Dan komt er iemand en die bied je vers en koud water aan. Dan sla je dat natuurlijk niet af?!
Maar zo komt God ook naar ons toe. Wij zitten hier met zijn allen op deze wereld terwijl we in hoge nood zitten. Wij zitten op dit moment in die ijskoude wereld of in die verschrikkelijk hete en dorre woestijn. We denken dat we het met zijn allen wel alleen af kunnen. Wij denken dat we die kou en hitte wel alleen kunnen trotseren.
Maar wat we niet weten is dat we langzaam aan uitdrogen van de dorst naar GOD en dat we bevriezen van de kou van deze WERELD. We denken dat we het wel zullen redden zonder God, maar dat kunnen we niet. Uiteindelijk zal je sterven van de dorst en van de kou.
En dat terwijl God ons die hele simpele oplossing geeft. Hij geeft je die hele dikke winterjas zodat jij het niet meer koud hebt! Hij is het die jou het water aanreikt zodat jij geen dorst meer hebt!
Bij die vergelijking lijkt het meer dan duidelijk dat jij die dikke jas en dat koude, verse water aanneemt, je zou wel dom zijn! Maar waarom doen we dat dan inderdaad niet? Waarom zijn we dan zou dom om die jas en het water af te slaan?
Je mag kiezen: Neem jij die winterjas en laat je je verwarmen door God? Of blijf je in de vrieskou staan en wacht je totdat je onderkoeld bent? Neem jij dat water aan en laat je je dorst lessen door God? Of blijf je in die zinderende hitte van de woestijn staan en wacht je totdat je uitgedroogd bent?